Mijn waarde, ik klim maar weer eens in de pen. Wie zegt te wachten tot de tijd rijp is (alsof men klokwerken teelt!), verlegt en misplaatst een zekere artistieke verantwoordelijkheid. Hoe kan men mitsgaders weten wanneer de tijd rijp is, als men niet weet wie of wat de tijd aan haar fertiele grond heeft doen ontspruiten? Welke onzichtbaarheid wordt hier vertegenwoordigd, en wie heeft hen tot mondstuk van deze eeuwigheid gemaakt? Nonsens! Mijn geest is rijp, dus ik klim in mijn pen. Ik klim zoals het een fierljepper betaamt om mijn Friese fundamenten niet te verloochenen en ik probeer zo hoog mogelijk te komen; zo hoog dat mijn omgeving zich in alle richtingen uitstrekt en verdwijnt in het verre, zich onder mij begeeft als een speelkleed zonder randen en ik me het middelpunt waan van deze wereld, het middelpunt van waaruit vergezichten kunnen worden verspreid omdat alleen ik, vanuit mijn kraaiennest, een glimp kan vangen van wat er zich achter de horizon voltrekt. De voorbije jaren hebben van mijn verstand een broedplaats gemaakt, en het is mijn besef van deze transformatie dat mijn geest heeft gerijpt. Émile Zola, literair naturalist en journalist extraordinaire, accuseerde het gehele mensdom (hij heeft smallere mikpunten gehad!) toen hij het menselijk verstand een ‘broedplaats van zonde’ noemde, en omdat mijn gedachten zich in weerwil van hun ondoorgrondelijkheid niet kunnen onttrekken aan de akoestiek van een menselijke schedel, word ik nog altijd vervuld van herkenning en schaamte bij het overwegen van deze tenlastelegging. J’avoue. Heus, een broedplaats van zonde. Zonde, zeg ik! Het woord ‘zonde’ vindt nota bene haar ouders in de Griekse term voor ‘het doel missen’; dat is exact, tot op het neuron, wat mij heeft doen bewegen. Mijn verstand is een broedplaats geworden voor gedoemde ideeën. Een begraafplaats voor gestorven intenties! Ik ben spijt! Soezerig van zelfverwijt!
Broeden is – verleent u mij de vrijheid dit ten overvloede uit te leggen – een proces, met in het verlengde een product. Welnu, zonder eindproduct staat broeden synoniem voor zitten, en daar zit niemand op te wachten (behalve ik dus, buiten mijn wil om!). Ik word verleid van deze analogie een associatieve ketting te maken, eindeloos, als zo’n plaatselijke bewoner die de ganse dag kettingen van bloemetjes zit te maken voor excessief geanimeerde toeristen. Van die toeristen – u kent ze – die de ijzeren begrenzer uit hun neiging tot admiratie voor vreemdheden hebben moeten halen omdat een metaaldetector op het vliegveld hen te flegmatisch achtte (waarom anders wordt zo’n bloemenkettingmaker zo overgoten met overtollig blijsel! bespottelijk!). Een ketting dus. Maar dan een ketting zonder sluiting. Een ketting om de nek van het oneindige, als – ach… Excuseert u mijn drift. De eigenzinnigheid van mijn obsessieve geest dreigt mijn punt wel vaker zo beneden de zichtbaarheid van het oppervlak te trekken. Maar uiteindelijk wordt zij – prijst het Opperwezen! – altijd weer bijtijds naar de kusten getrokken, opdat de lijn van denken kan worden voortgezet. Ziehier. Ik wil het u dan ook aanschouwelijk maken, mijn waarde, dat mijn verstand geen fabriek meer is, maar een broedplaats. Nee, een zitplaats. Een zitplaats, zeg ik! Een plek waar louter wordt gezeten. Tussen de lijken van inzichten en plannen en ambities wordt er gezeten, met de knieën tegen de borst en de armen om de knieën gesloten, schommelend, wordt er gezeten. Ik ben geen kunstenaar meer: ik ben een verderfelijk schilderij geworden.
Daarom keer ik mij tot u, mijn onderste hoop, om wat woorden tot u te richten, voorzichtig en prudent, als een rondborstig ventje dat voor het eerst zijn zojuist gekregen speelgoedzeilboot te water laat en poogt de gever van dit werktuig van zijn verbeelding – die zo goedhartig is geweest op verzoek mee te lopen – te bereiken aan de overkant van een vijver, in een park, zo’n park waar men elkaar treft wanneer de hemel niet huilt, waar men zich in het impermeabele kuras van de properheid heeft gehuld en zich verkneukelt aan het genoegen van gedeelde burgerlijkheid. Welnu, mijn lot – het lot dat mij heeft uitgespuugd, mij heeft laten liggen, tot zinloze heeft gemaakt – ligt in uw handen, vrees ik. In een verheven versie van de werkelijkheid zou mijn relaas verstoken zijn van rancune. Eilaas! Odium fati! Ik vraag u – nee, roep u op! Sluit uw vuist en verpulver haar! Vervloek mijn lot en spuug haar uit! Loos haar met liters tegelijk! Verstoot haar zoals ze mij verstootte van haar voorzienigheid! Lex talionis! Voordat mijn verf is opgedroogd en ik vereeuwigd ben in kwaststreken, voordat ik verdrink in de miskramen van mijn aandrift… Wreek mij… Wreek… Wacht… Misschien… Wacht! Is het mogelijk? Is het mogelijk dat ik bij wijze van connatus – een wederzijdse geboorte (u in mijn ogen als lezer en ik in uw ogen als schrijver!) – kan rijzen uit het as van mijn verwaarlozing? Is het niet zo dat ik mijn contour en detail, mijn ergon als kunstenaar, kan terugverdienen? Is het niet zo? Uw beschouwerschap is ten slotte mijn zon, mijn water, mijn vruchtbare grond! Mijn zuurstof! U! U heeft de bovenmaanse taak deze laatste van tig intenties te verzilveren door er iets van te vinden; door iets te vinden, vindt u mij, maakt u van mij: iets! Nu dan, de draden van uw lot en de draden van het mijne zijn reeds verwikkeld in een ceremoniële dans, teneinde onze levens te verweven voor de ogen van het Eeuwige en het Schone, ik zie het! Als deze woorden u hebben bereikt, en u bent gaandeweg bezwangerd met de mening waarvan u zo meteen gaat bevallen, wil ik u duizendmaal danken voor mijn wederopstanding – nee, mijn reïncarnatie; zo een dankbaar wezen was ik nooit!
– O. W. Benink
Plaats een reactie