qualia.

De geboorte van Emile

Published on

“Ik ben op,” zei ze. We keken allebei naar de lege pan die inmiddels diende als middenstip voor wat er zich aan de eettafel voltrok. “Echt.” Ze was weer zuinig met haar woorden. Elke letter was een munt die aarzelend werd getrokken uit een krimpende portemonnee, en met elk uitgegeven woord groeide haar bedachtzaamheid. Mijn imprudente “uitgaven” hadden onze relatie behoeftig gemaakt; behoeftig omdat we nooit een resolutie rijker werden, maar ook omdat ik vanavond weer zo duur had gesproken dat ze namens ons had besloten de rest van het gesprek op de kleintjes te letten. “Laat het voornemen alsjeblieft een nachtje sudderen,” zei ik na een stemloze stilte van ongeveer twintig seconden, nog steeds kijkend naar de pan met twee petten. “Het uur is laat en verstand raakt vermoeid.” De naïviteit die ik daarmee de ether in gooide, resulteerde in een stilzwijgen. En terecht, dacht ik. Wat moet ze nog met me? Ze had me bovendien al vaker verweten dat ik pretentieus was in mijn bewoordingen. “Praat eens normaal,” zei ze dan. “Ik weet wel dat je graag leest.” Het schild van mijn stoerheid stond geen schijn van kans. Ze was puntig. Ik denk dat ze daarom met mij was weggelopen: als ik op knappen stond omdat ik weer eens vol was van mezelf, liet ze me lachend zien dat ik met lucht was gevuld en liet ze me leeglopen. Op dit moment wist ze dat angst mijn geest vervulde en dat ik niet anders kon reageren. Ze zei niets.

Ik trachtte haar ogen te ontmoeten, maar haar verstrengelde vingers lieten haar blik niet los. Met haar rechterduim wreef ze over het eelterige kussen van haar linkerpalm, alsof ze daarmee de groeven van het kussen grondig stofzuigde in de hoop dat een handlezing ons verder zou kunnen brengen. Mijn handen waren klam. Het vlechten van mijn vingers zou een onaangenaamheid teweegbrengen vergelijkbaar met zomernachten onder een winterdeken; nachten die wij hadden gekend, nachten die enkel draaglijk waren geweest omdat de warmte niet alleen fysiek was. Dit besef deed me dieper in droefheid verzinken, en ik begon haar houding wanhopig te spiegelen. Zo’n nacht zal niet meer komen. Het was immers de palm van háár hand waarin onze toekomst lag opgebaard. Ik probeerde met het deficiënte zoeklicht van mijn vernauwde geest de woorden te vinden die nog niet waren gezegd, woorden die ons overeind zouden kunnen helpen. Maar ik dacht weer aan haar handen, haar spaarzame communicatie, hoe ik mijzelf zag als iemand met een gat in de hand binnen deze metafoor en in het verlengde daarvan hoe complementariteit in een relatie wat anders dan wenselijke volmaaktheid betekent. Mijn obsessies hadden een planetaire zwaartekracht gekregen en ik zat gevangen in een baan eromheen, als een hulpeloze kunstmaan onderworpen aan onfeilbare natuurwetten. Ik kon haar handen niet uit mijn hoofd zetten. Ik kon haar niet loslaten.

“Dus dit is de heuvel waarop we zullen sterven,” zei ik terwijl ik nog altijd naar haar handen staarde. “Dit is ‘m,” antwoordde ze. Ze zei dit met opwaarts getrokken mondhoeken, maar ze was gespannen, en het was alsof de bevalling van deze nieuwe verstandhouding het vocht vanaf haar tenen uitkneep naar boven en haar ogen deed overstromen. Mijn handen pakten die van haar met een magnetische overtuiging vast, en een vochtige waas trok over mijn blikveld waardoor ik me het standpunt waande van een tonalistisch schilderstuk. “Ik wil dat je weet dat ik me bij jou voller heb gevoeld dan bij wie ook.” Ik voelde me onzeker na het uitspreken van deze zin, omdat het timbre en de lading zo verschilden van de repetitie die zich in mijn hoofd had voorgedaan. Het gewicht van de boodschap verdween in een luchtledig medium; de ruimte tussen ons was ietsloos. Ik wilde mijn magere confessie nog aandikken door te vertellen dat ik me altijd in geluk verzadigd had gevoeld. Dat ze mij had verwend en dat ik in verhouding verwaarloosd zou worden door een ander. Maar ik werd verlamd door de zinloosheid van de exercitie. De vaas waarin wij tot bloei waren gekomen was niet meer heel, en ons samenzijn begon dor aan te voelen. Het was woensdag. Aan de voet van het weekend hebben we elkaar vaarwel gezegd. 

End scene! Haha. Ik overtuig mezelf nog eens van mijn zieleleed. Als ik ooit besluit de planken te bestijgen, zal Nederland kennismaken met een generationeel talent. Ach, wat zeg ik. Talent overschrijdt landsgrenzen. Als ik mijn creativiteit zou cultiveren en zou koppelen aan een stukje toewijding, zou ik vrij snel doorbreken op het wereldtoneel. I speak English after all! Wat baal ik er trouwens van dat mijn gedachten geen publiek hebben. Ik kan dit toch niet allemaal voor mezelf houden! Oh well. Sommige artiesten en acteurs komen op als poepen en verdwijnen als doorspoelen. Ik denk dat ik resistenter ben tegen zo’n tijdelijkheid. Zo. Even oogcontact zoeken met Lautenbach om een respons los te wrikken. Volgens mij beginnen zijn kaken aanstalten te maken. “Dank je wel voor je openheid, Emile. Jeetje. Wat bijzonder dat je geheugen zo rijk is aan gevoel, zo gevuld is met detail, met beleving. Het is… het is bijna alsof je het uit je hoofd hebt geleerd. Hoe lang is dit geleden?” …alsof je het uit je hoofd hebt geleerd. Pff! Die Lautenbach. Van de psychologen die ik geadresseerd heb met versies van dit verhaal, is hij de enige die de waarheid schampt, zij het als een blinde die gevraagd is een voetbal te raken die hem wordt aangegooid. Waarom benoemt hij niet de schrijverige mooiheid van mijn relaas? Is hij daar niet gevoelig voor? Godverdomme. Heb ik weer te maken met zo’n afgestompte zorgmedewerker die zelf aan de antidepressiva zit? Ze hebben allemaal eelt op de ziel!

“Dank u wel, meneer Lautenbach.” “Zeg maar Johan.” “Johan. Nou, het is meer dat ik alles aan het herbekijken en terugspoelen ben om de betekenis ervan te doorgronden. Dat lukt me niet. Daarom zit ik hier, denk ik. Sara en ik zijn nu een jaar uit elkaar.” Ha. Zijn er überhaupt mensen die zich zo goed kunnen redden met alleen het woord in hun schede? Elke dag is een krachtmeting in de competitie van mijn bestaan en ik sta nog altijd zonder tegendoelpunten te ballen. Haha! En mijn leven is niet eens een teamsport! Gelukkig niet, zeg. Het heeft meer weg van een simultaanspel waarbij het aantal opponenten zich alleen laat limiteren door mijn dood. Daarenboven, als ik een team kon samenstellen van mensen die mij evenaren, stak ik er nog steeds met kop en schouders bovenuit. Zucht. Ik ben gedoemd me te ergeren aan de incompetentie van anderen. Ik vraag me af hoe Hij omgaat met die zwerende onbekwaamheid van Zijn kinderen. Mocht U mijn innerlijk aan het afluisteren zijn: laat het mij weten. O, opletten! Mijnheertje psycholoog gaat wat zeggen, geloof ik.

“Emile, ik denk dat het belangrijk is – voor ons allebei, voor de behandeling – dat je vertelt wat volgens jou de breuk heeft veroorzaakt, en of je denkt dat jouw schets een overtrek zou zijn van háár schets, of dat er significante verschillen ten papiere zouden komen. De stoel naast mij en schuin tegenover jou is leeg. Ik wil je vragen je in te beelden dat Sara op die stoel zit, en dat ze zojuist haar versie van de waarheid op tafel heeft gelegd. Hoe zou een samenvatting van haar verhaal eruitzien, en hoe zou je erop reageren?” Godverdomme, zeg. Moet dit nou? Waarom heeft hij geen aandacht voor de voortreffelijkheid waarmee ik mezelf presenteer? Wat is precies zijn bedoeling? Hij mag niet zien dat ik zweet. Dat mag niet! Wat kan ik zeggen? Wat is het beste antwoord? Ik kan het hebben over haar ondiepe analyse van onze relatie en mijn robuuste blootlegging van de problemen. Dat deze verklaringen onverenigbaar waren. Ik kan uitweiden over mijn behoefte aan symmetrie na jaren van complementaire interacties. Ik kan – “Emile?” IK KAN! IK KAN! IK KAN! IK KAN! ZE HEEFT ME IN DE STEEK GELATEN! IK BEN ALLEEN! IK HEB NIEMAND EN NIEMAND HEEFT MIJ!

“Laat de tranen maar vloeien. Je bent hier veilig. We beginnen zo meteen gewoon opnieuw.”

O. W. Benink

Plaats een reactie