Een eerste stap. Onderweg. De route naar het station wordt glashelder geprojecteerd in mijn bovenkamer. De bestemming behoeft geen berekening, geen planning. Gewoon gaan. Ik bewandel de route zo vaak dat hij een geijkt pad is geworden, verkleurd door de veelvuldige ontmoetingen met mijn zolen. Gebruikerssporen. Vandaag loop ik wat langzamer. Dat moet van mij. Ik sta erop.
Dingen die opvallen. De elementen groeten mij en ik voel me gezien, onthaald, welkom. Dit gevoel is nieuw en genoeglijk. Mijn straat is gevuld met voertuigen van uiteenlopende aard. En hardwerkende afvalcontainers. Geboomte spreidt het loof en ritselt van genot. Ze vangen niet onwillig veel wind, veren uit begrip mee. Voortplanting maakt niet alleen malloten van mensen, schiet door me heen. Ik erken ze evenwel als hoeders van onze stadsaderen en wandel door. De wijk scheidt mij af.
Geluiden die binnenkomen. Insecten met vleugels die luid wapperen komen een indruk van mijn gestalte halen. Ze vliegen verzadigd weg. Een man zegt “Hoi”. Ik zeg “Hoi”. Ik kaats de bal onbewerkt terug om hem niet te verrassen. Zijn glimlach voelt medicinaal. Ik knik om hem te bedanken voor de toediening. Misschien zijn we allemaal verzorgers. Of apothekers. Een glimlach is niet op recept. De dokter zal het begrijpen. De stad voelt immens en eigenzinnig, en het geluid van menselijke inspanning is achtergrondmuziek voor wie er oren naar heeft. Cultuur is kunst. Luisteren ook.
Het waait brutaal hard. Bewoog het loof maar mee met elke zucht. Dan zat mijn haar nog goed. Het station heeft zich intussen gemanifesteerd in de verte, dicht tegen het blauw van de voorzichtige lentedag. Mensen met bedoelingen lopen ervandaan of eropaf. Dat voelt contradictoir. Ik vraag me af wiens bedoelingen beter zijn, en of komen of gaan een fijner werkwoord is. Gaan is bewegend, neutraal. Komen is naderend, interpersoonlijk; het refereert veelal aan sociale intenties, aan de verfeitelijking van een gedeeld voornemen. De lezer zal zich storen aan mijn onvermogen het meest intieme komen op te merken. Dat mag. Het meest intieme gaan is mét iemand, corrigeer ik. Ze liggen in elkaars verlengde. Bevredigd vouw ik de gedachte op.
Vandaag nemen mijn benen en ik afscheid van dit geijkte pad. Nou ja, niet exact. Ik moet nog afrijden. Maar vaak zullen we elkaar niet meer in deze hoedanigheid gewaarworden. Daarom vandaag op de koppeling. Geen gas. Bewust. Het zebrapad zorgt voor een soepele overtocht. Ik draai me om naar de auto’s die stoppen met grommen zodra zij bezet is. Het is alsof dat zebrapad door het gewicht van haar goederen oplaait en de auto’s tempert als prehistorische wolven die met de buit van Prometheus worden geconfronteerd. Zij verdient aanbidding. Straks ben ik de wolf, bedenk ik me. Zo zij het. Ik draai me weer om en voel nu ook de zon, zacht, liefkozend. De wind kietelt mijn nek. Het hoge, holle stationsgebouw suist, sust. De glimlach heeft een verlengde afgifte. Ik ben dankbaar.
– O. W. Benink
Plaats een reactie