Kortgeleden las ik een essay getiteld ‘For Opacity’, een hardnekkig vervolgende tekst van Frans-Antilliaans dichter en schrijver Édouard Glissant. Mijn vrienden weten dat deze tekst mij niet weer daar afzette waar ze me aantrof. Ik ben anders gaan denken en voelen. Alles tekent zich voor mijn ogen opnieuw uit, met een verminderde helderheid, en dat is oké(?).
Opaciteit (ook wel ondoorzichtigheid, troebelheid of ondoorschijnendheid) is een remarquabel sociaal paradigma, zeker voor een psycholoog. Het is de negatie van wat ik tot dusver als de spreekkamerlijke standaard heb beschouwd. We willen immers licht schijnen op wat iemand kwelt. Vertroebeling nodigt in dat licht uit tot opklaring. Aanvaarding van opaciteit voelt contra-intuïtief. Maar wat bedoelt Glissant eigenlijk met Opaciteit? Misschien belangrijker nog: waartoe dient het idee?
Caveat: de naderende eisegese is ietwat eclectisch en volgt niet een standaard essayistisch ritme. Het stuk beoogt in haar vorm vrij en beschouwelijk te zijn.
NB ik ben geen expert in onderstaande domeinen.
Begrijpen als Attentaat
De geest van het mensdom, dien ik modest in, wordt gekenmerkt door een soort epistemologische eenkennigheid; we omarmen aanhankelijk het bekende en vrezen ten diepste het onbekende. We zoeken steevast naar vermeerdering van het bekende en noemen dat ‘vergroting van kennis’. We verleggen de grenzen van deze uitdijende cirkel of zijn we neurotisch, alsof ons leven ervan afhangt. Het archetypische tweegevecht tussen licht en duisternis, of orde en chaos, is een symbolische veruiterlijking van deze aangeborenheid. Licht is zien, en zien is weten. Welnu, gelijk planten groeien wij richting het licht – zoeken wij naar verlichting, en dus moeten ook wij, zeker wij, met ons talent voor chaos en duisternis, van binnen begrepen en gekend worden. We moeten zelf tot onderdeel van het bekende worden gemaakt.
Logion 2 uit het apocriefe Evangelie van Thomas leest: “(…) Wie zoekt, mag niet ophouden met zoeken totdat hij vindt; en als hij vindt, zal hij geschokt zijn; en als hij geschokt is, zal hij zich verwonderen, en hij zal koning zijn over het Al.” Kennisvergaring wordt hier, in de vorm van een imperatief, in verband gebracht met meesterschap, met heerschappij over het Geheel. Deze notie dient als voorwerk voor het komende gedachtegoed. Houd deze notie dus bij de hand.
De noodzaak onszelf en anderen te moeten begrijpen, uit zich niet toevalligerwijs in de taal die we bezigen. De woorden ‘comprehend’ en ‘apprehend’ zijn niet voor niets allebei te herleiden naar het Latijnse woord ‘prehendere’, dat zoiets als ‘vangen’ betekent. Het verwijst naar de handeling iets uit de externe wereld verstandelijk dan wel lijfelijk te omsluiten, te onderscheppen (neem ook de Engelse uitdrukking “I didn’t catch that”). Het Nederlandse woord ‘begrijpen’ refereert aan een vergelijkbare handeling, zij het nadrukkelijker gewelddadig. We grijpen naar de essentie van een persoon of diens bedoeling. Je zou kunnen zeggen dat we – ter inspectie – een ongeautoriseerde kopie van de ander willen maken. In werkelijkheid is een kopie ongrijpbaar, en lijkt het meer op het afnemen van een monster dat we vervolgens op de kweek zetten in de kamers van ons subjectieve verstand. Met alle gevolgen van dien.
Het moeten begrijpen van een persoon is dus een gewelddaad, een attentaat. We voeren nu groot licht en richten het op onze geschiedenis.
In de context van ons koloniale verleden is begrijpen, in termen van gewelddadigheid, een waarde op een schaal die oploopt tot de superlatief bezitten. Bezit is geassimileerd en daarmee onderdeel van mij, van ons, en niet meer van het onbekende (en dus ook niet meer van zichzelf!). Van behoefte aan begrip is geen sprake meer. Dekolonisatie heeft de geassimileerde echter teruggeworpen in zijn eigen gedaante, waardoor het moeten begrijpen van de ander weer een rol is gaan spelen. Houd op de voorgrond dat de ‘daad’ van het begrijpen van deze ander nog steeds voortvloeit uit een zekere roofzucht. Het trachten te vangen of begrijpen van de ander in zijn totaliteit is een violatie, een schending: er gaat een begeerde kennisasymmetrie achter schuil. Deze lijn van denken brengt ons dichter bij het werk van Glissant.
Houd vanaf hier in gedachten dat ‘het onbekende’ synoniem staat voor het opake, het ondoorzichtige, het vertroebelde enzovoort. Deze woorden genieten hieronder de voorkeur om beter aansluiting te vinden bij zijn werk.
Naturalistische Dwaling
De neiging alles te willen verklaren heeft een zonneklaar evolutionair voordeel. Gevaar moet herkend worden, evenals opportuniteit. De meest elementaire duiding is immers al gunstig voor een natuurlijke genoverdracht. Levenservaringen kunnen stollen en ons instinct vergroten, en daarmee onze overlevingskans. Niet-menselijke dieren gebruiken hiervoor natuurlijk minder dure cognitieve processen, of er komt helemaal geen cognitie aan te pas. De urgentie van kennis, hoe basaal ook, is niettemin helder. De naturalistische dwaling vertelt ons evenwel dat natuurlijke fenomenen niet per definitie ‘goed’ of moreel juist zijn, dat ze niets zeggen over een kosmische bedoeling waar we ons aan dienen te onderwerpen. Onze obsessie met begrijpelijkheid is dan ook niet per se legitiem in het culturele domein. Hier komt Glissant in beeld.
Het Recht om Niet Gemeten te Worden
In het hoofdstuk ‘For Opacity’ van zijn boek ‘Poetics of Relation’ verdedigt hij het recht op Opaciteit (‘opacity’) ten behoeve van diversiteit, culturele andersheid en identiteitsbeleving. Het begrijpen van de ander is niet mijn recht; het zou mijn plicht moeten zijn haar onbegrijpelijkheid te respecteren. Hoe uit zo’n dictum zich in de praktijk? Wel, op de vraag hoe vaak we boos op iemand worden omdat we hem niet begrijpen, vinden we nog vóór de volgende oogknipper tal van antwoorden die we zouden kunnen geven. De gelijkvloerse oorzaak van onze boosheid kan van alles zijn. Veelal vormt onbegrip echter het substraat, zoals bij een oordeel over normen en waarden van een andere cultuur. Scenario: we kleuren rood van woede wanneer een technische dienst in Spanje niet op komt dagen, omdat we niet begrijpen hoe je op elkaar kunt rekenen als grilligheid wordt toegelaten. We voelen ons besodemieterd. Interactie met de cultuur leert echter dat er sprake is van een andersoortige dynamiek. Men moet een tijdje weken in een cultuur om de smaak te pakken te krijgen. Dit scenario is tamelijk dicht bij huis en een zeer laaggradig voorbeeld van het opaciteitsprincipe, maar de implicatie is helder. Naarmate culturele verschillen meer geprononceerd zijn, neemt het gewicht alsook de gelaagdheid van dit principe toe. “Transparantie is het zoeken naar de norm. Opaciteit is het recht om niet gemeten te worden.”
De ander is dus opaak en dat is goed. Maar hoe vinden we elkaar?
Poëtica van Relatie
Relatie is een term die Glissant gebruikt om het opake in de ander te duiden: onze identiteit is volgens de auteur plastisch en ondergaat een continue échange met anderen, waardoor we in feite praten over een identiteit in beweging. Hij gebruikt zelf het woord errantry, wat zoiets als ‘doling’ of ‘omzwerving’ betekent. De schrijver refereert aan mythologische figuren die gekenmerkt worden door een zwervende of nomadische identiteit. Een verhelderend voorbeeld is Odysseus. Niet enkel avontuur en uitdaging tekenen hem; Odysseus kan men associëren met de ontwikkeling van een identiteit in beweging, met interculturele interactie en een zoektocht naar begrip en verbinding. Zijn mythe is doortrokken van de transformatieve kracht van zwerven en ervaren.
Elke Relatie – het dynamische proces van een identiteit in beweging – is in zijn eigenheid dan primum et ultimum; de eerste en de laatste, vergelijkbaar met DNA van een fenotype. Per definitie, is dan de gevolgtrekking, is ieder individu nieuw, uniek en onbekend. Glissant pleit aldus voor een ‘archipelische denkwijze’ in plaats van een ‘continentale denkwijze’. Het beeld van een archipel maakt duidelijk dat we in het kader van de ander te maken hebben met een veelvormigheid van gelijkwaardige achtergronden en een volstrekt unieke (geoculturele) Relatie. De archipel vormt desalniettemin een samenhangend geheel. We hebben elkaar gevonden zonder te convergeren. De continentale denkwijze, met zijn evocatie van een monoliet, is in zijn homogeniteit en hiërarchie onverkieslijk: een monoliet is ongedifferentieerd en torent boven omringend landschap uit. We hebben elkaar gevonden door te convergeren. De term waarmee geologen bovendien de monoliet als verschijnsel verklaren, is ‘competentieverschil’. Gesteente is competent als het bestand is tegen erosie en recessief als het gemakkelijk erodeert. Deze terminologie is doortrokken van competitiviteit en hiërarchie, termen die men bij voorkeur niet gebruikt binnen het interculturele vertoog.
De historische en culturele ervaringen van mensen, alsook de complexiteit waarvan deze ‘cumulatieve herinneringen’ doortrokken zijn, vormen dan hun Relatie, die, als een raamwerk van matglas, scherpstelling onmogelijk maakt. Glissant ziet voorts in literatuur en poëzie het instrumentarium dat een zinvolle kijk kan bieden achter dat matglas. Ze dienen als een soort tolk voor culturele vreemdelingen door de schrijver of dichter lichtdoorlatend te maken. Cultuur wordt even vatbaar voor begrip. Hieruit vloeit de vraag voort of zelfkennis de mate van translucentie beïnvloedt, zeker als we veronderstellen dat het aan de kunstenaar is ons Wezen uit te beelden. Is niet de kunstenaar, met zijn compulsieve introspectie, een microreflectie van de ander, van de maatschappij? Logion 3 uit de eerdergenoemde apocriefe tekst veronderstelt: “Als u uzelf kent, dan zult u ook gekend worden, (…). Maar als u uzelf niet kent, dan bent u in armoede, en bent u de armoede.” Er wordt hier een verband gesuggereerd tussen introspectie en spirituele welvaart, en een rijker zelfinzicht zou onze translucentie verhogen. De rol die Glissant ziet voor de kunstenaar zou met deze woorden tot uitdrukking kunnen worden gebracht.
Een contrast met onze waarden begint zich evengoed uit te graven: begrijpelijkheid versus opaciteit. Maar is opaciteit een begrijpelijk genoeg idee?
God in het Gelaat van de Ander
Een aanvullende manier om over het opaciteitsprincipe na te denken, is aan de hand van het werk van filosoof Emmanuel Levinas. Deze ontwikkelde in de jaren na de Tweede Wereldoorlog een morele theorie gestoeld op borging van diversiteit. Volgens Levinas vind ik in mijn ontmoeting met de Ander mijn (morele) verantwoordelijkheid. De Ander staat voor een ander mens, dat in haar vorm als zodanig mijn vermogen haar te begrijpen ontstijgt. De Ander is oneindig complex en uniek, en heeft in het universum geen gelijke. Levinas ziet “God in het gelaat van de Ander”.
Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, zo luidt het cliché. God is ons geen uitleg verschuldigd, en het is niet aan ons Hem te begrijpen. De Ander is volgens Levinas door God ‘achtergelaten’ en bevat dezelfde ondoorgrondelijkheid als haar Schepper. De aanvaarding van deze ondoorgrondelijkheid, of opaciteit, verbindt Levinas met Glissant, en het perspectief van Levinas scherpt onze kijk op Opaciteit als cultureel raamwerk.
Opaciteit In De Spreekkamer
De psychologisch geschoolden hebben wellicht nog jeuk aan hun achterhoofd van het geïnsinueerde euvel aan de voet van deze tekst, namelijk de vraag wat sociale opaciteit betekent voor de spreekkamerdynamiek. Wel, psychodiagnostiek is per definitie een momentopname van wat we zien en begrijpen in een bepaalde context, en kan derhalve bestempeld worden als een flagrante schending van het opaciteitsprincipe. Immers, we stellen onszelf ten doel interpreet te worden van ‘de vertroebelde’, en vuren daartoe wetenschappelijke venijnigheden op hem af. We maken van hem een woelige plas met ondiepe gronden, opdat wij niet verdrinken.
Pogingen de Ander te begrijpen zijn even ongepast voor Glissant als voor Levinas; de vraag is of de psycholoog vindt dat spreekkamerdialogen binnen of buiten de omheining van het opaciteitsprincipe vallen. Some people are on the fence about this. Een mogelijk adequate kerngedachte van de psycholoog zou kunnen zijn: laat de cliënt zichzelf maar duiden.
Laten we elkaar dus (niet) proberen te begrijpen, luidt dan de conclusie. Vergeef me mijn opaciteit. Ik begrijp u net zomin als mijn Zelf. Deze beperking schrijft sociale scrupules voor. Passend is het, allicht, dat ontkerstening ertoe drijft dat we God gaan zien in het gelaat van de Ander. Zij heeft ten slotte daadwerkelijk een hand in mijn schepping, mijn verlossing, mijn moraliteit, en wij zijn elkaar geen uitleg verschuldigd.

Édouard Glissant (21 september 1928 – 3 februari 2011).
Plaats een reactie