nog even nacht en altijd
uitdijend in ons midden
de ruimte die onze hemel was
de kamer ligt op zijn kant
loom en brak en broos gelijk
een nagenoeg verdronkene
apostaten van de oceaan
ons huis was een pashok
achter het gordijn ging
slechts een deelsom schuil
ik kwam eruit een minder man
massaloos mijn ziel ik woog
een ons minder zonder jou
nu is het wit weg en mijn gezicht
vertrokken en mijn lijk bleek van
rood rumoer als de deemstering
na de uittocht van het mensdom
– O. W. Benink
Plaats een reactie